The beheading of the Duke of Somerset (already showed this in an earlier post, but it is quite fitting for this one as well)

As promised (or threatened?) in an earlier post about the Judgment of Otto by Dieric Bouts, here is the description of a fairly bizarre trial held by Charles the Bold in Zeeland, preceded by another rather strange punishment of some misbehaving knights, as some kind of prologue. First the Dutch text is shown, slightly modernised, followed by an English summary. Sorry for the awkward translation.

The text is from the rather voluminous Algemene kerkelyke en wereldlyke geschiedenissen des bekenden aard-kloots by Geerlof Suikers. He borrows some of his information from Pontus Heuterus. I have the Pontus lying around and know I should verify if it’s correct but the book is in Latin and I’m not up to that right now. No idea if this is just a wild tale or historically accurate.

The noblemen

De hertog in het volgende jaar eenige tydt zyn verblyf in den Hage houdende, ontstondt daar onder zyne edelknaepen een zo grote twist, dat een der zelven, een Burgundiër van geboorte, dood bleef. Dit wierdt zo hoog door hem genomen, dat hy hen alle in eene oopen-plaats deedt opsluiten, en beval dat zy malkander met roeden, hen ten dien einde gegeven, zouden geesselen, tot dat zy moede waren. Toen het lang genoeg geduurt hadt, deed de hertog eene aanspraak aan hen, en besloot de zelve met eene bedreiging, dat hy alle, die verder eenige wraak wilden nemen, of den twist langer doen duren, zou laten ophangen.

The next year (1469 ed.), when the duke was staying at The Hague for a while, such a huge quarrel broke out amongst his noblemen, that one of them, a Burgundian by birth, was killed. Charles was so vexed that he had them all locked up in an open space and ordered them to bash each other with sticks that were given to them for this purpose, until they were tired. When it had lasted long enough the duke threatened them that if they wanted revenge or if the quarrel lasted on, he would have them all hanged.

2. The commander

Karel wilde de misbruiken aangaande de rechtsvorderingen, in het bijzonder op het gebied van onkuisheid, verbeteren en trok vanuit Den Haag naar alle landschappen die onder zijn heerschappij stonden, om overal recht te spreken, waarmee hij zich drie dagen per week bezighield, wat hem bij zijn onderdanen zeer geliefd maakte. Toen hij in datzelfde jaar (1469 nvdr) in Zeeland aankwam, men meent Vlissingen, heeft hij daar een voorbeeld van strenge rechtsvordering nagelaten, het welk door verschillende schrijvers is verhaald, maar door niemand uitgebreider dan Pontus Heuterus, die wij daarom hier willen navolgen. Een zekere edelman, die in de oorlog grote dienst aan zijn vorst Filips de goede had bewezen, kreeg daarvoor de heerschappij over een stad in Zeeland. Hij was niet gehuwd en woonde daarom bij een voornaam burger in. Deze had een mooie vrouw, op welke de bevelhebber verliefd werd; doch als hij noch door geweld, noch door andere kunstenarijen iets vorderde, en gestadig in vrees was, dat de vrouw hem aan hare man zou ontdekken, nam hij zijn toevlucht tot list en geweld. De partijschappen in Holland en Zeeland smeulen nog in de gemoederen van de inwoners, en de hertog was op niemand zo zeer gebeten dan op degene, die, zowel de Kabbeljauwsen als de Hoeksen, enige blijk gaven van die partijschappen. De bevelhebber deed derhalve de man in de gevangenis werpen, op een voorwendsel dat hij de gemene rust zocht te storen, en hield toen weer bij de vrouw aan, zeggende dat de hertog wel nergens bitterder om verstoord was dan om zulke zaken als haar man had begaan, haar man zou ontslaan, en het wagen zelf daardoor de gramschap van Karel op zich te laden. De huwelijksliefde deed in dit geval een zo wonderlijke werking, dat misschien nooit iets dergelijks gehoord is. De vrouw staat hem zijn begeerte toe. Doch hij, willende zich van haar bezittingen voor het toekomende te verzekeren, hield haar eerst zo lang als het mogelijk was op, alsof hij order van de hertog aangaande haar gevangen man moest afwachten, en toen zij, zo hij dacht, genoeg aan zijn liefkozingen gewend was, gaf hij haar een briefje van zijn hand, om met hetzelfde bij de gevangenisbewaarder te gaan, en hem haar man op te eisen. Deze had enige uren tevoren order van de bevelhebber gekregen om de gevangene het hoofd af te slaan, had zulks verricht, en gaf het lijk over aan de vrouw, die door dat gezicht tot uiterste woede werd gebracht. Zij maakte de ganse zaak aan haar bloedvrienden bekend, die haar raad gaven haar droefheid te ontveinzen, en, alzo de hertog in Zeeland stond te komen, hem zelf de zaak voor te dragen, en recht te verzoeken. Toen Karel in Zeeland aangekomen was, verscheen de vrouw met twee van haar bloedvrienden aan hem, en stelde daar de zaak voor, zo als zij gebeurd was, waarover de hertog zo vergramd was, dat hij dreigde haar te straffen, zo zij een zo wakker (dapper nvdr) man ten onrechte beschuldigde, maar in het tegendeel haar recht te doen, zo men bevond, dat zij de waarheid sprak. Daarop werd de gezaghebber ontboden, en door Karel met een vriendelijk wezen afzonderlijk ondervraagd zijnde, bekende hij alles, en smeekte om genade. Aanstonds daarna deed Karel zijn raad met de vrouw binnentreden, en gebood hem haar terstond te trouwen, en haar erfgenaam van zijn goederen te maken, indien hij zonder kinderen kwam te sterven. Hij was daar zeer wel mee vergenoegd, en beloofde alles, wat de hertog begeerde, maar de vrouw was daar niet toe te brengen als door lang aanhouden van de raad des hertogs, die hij bevolen had haar te bepraten om haar toestemming te bekomen. Nadat zij eindelijk haar stem tot dat huwelijk had gegeven, en hetzelfde ook aanstonds door een priester was voltrokken, vroeg de hertog: “Vrouwe, zijt gij voldaan?” en als zij daar ja op antwoordde, hernam Karel: “Ik nog niet”, en deed aanstonds de gezaghebber in dezelfde gevangenis brengen, waar hij een onschuldig man had laten onthoofden. Daar vond hij een priester, een beul, en een doodskist, nevens een brief van de hertog, behelzende zijn doodvonnis van onthoofd te worden, hetwelk twee uren daarna door de beul werd volvoerd. Aan de vrouw werd ook een afschrift van het doodvonnis van de bevelhebber gegeven, om bij haar vrienden en bloedverwanten tot een getuigenis te strekken van de wraak, die de hertog over haar ongeval en het gedrag van zijn bevelhebber had genomen. Dus was zij voor de tweede maal weduwe, maar verviel in een zo grote droefgeestigheid, dat zij in korte tijd door de dood werd weggesleept; latende de grote goederen van de bevelhebber tot erfenis aan de kinderen, die zij uit het eerste huwelijk had.

Charles wanted to end the abuses in the justice system, especially those concerning immorality, so he travelled to all the places he governed. He did this three days a week, which made him popular with his subjects. When he arrived in Zeeland that same year (1469, ed.) – it is believed it was in Vlissingen – he left an example of the severe justice system he wanted to put in place. This has been described by several authors but the most extensively by Pontus Heuterus, on which this is based.

A noblemen who had fought bravely in the service of Philip the Good, was awarded with the government of a city in Zeeland. He was not married and lived with a distinguished citizen. He fell in love with the wife of his host and was constantly afraid that she would betray him to her husband, so he used deceit and violence to prevent that. The Hook and Cod wars were still causing upstirs and there was nothing that the duke was more vexed about than the ones that supported either side. The commander had his host locked up in prison under the pretense that he wanted to cause an uproar.

The commander went back to his wife and said that Charles would be very angry about the things her husband had done and that he might direct his anger towards her too. The woman gave in but he was trying to stall the affair because he had his eye on the possessions of the couple. He told her was still waiting for the orders of the duke. After a while, when he thought she was sufficiently used to his caresses, he sent her with a note by his own hand to the prison guard to get her husband. But hours before, the commander had ordered the prison guard to chop off the man’s head. So when they handed over his corpse to his wife she became furious. She told everything to four of her ‘bloodfriends’ (close relatives, ed.) who advised her to feign grief and await the arrival of the duke and present the case to him.

So when Charles arrived, she and two of her bloodfriends went to him and told him what happened. The duke became very angry and told her that if she lied, he would punish her, but if she told the truth, justice would be done. The commander was summoned and Charles questioned him in a friendly manner, after which the commander confessed to everything and begged for mercy. The duke had the woman brought in and ordered the commander to marry her and bequeath all his possessions to her in case he died without heirs. He was quite pleased with the outcome but the woman refused to marry him. Charles ordered his counsel to try and convince her to change her mind and it took a lot of effort of them to do so.

When she finally gave her permission, they were immediately wed by a priest. After this Charles asked her: “Are you satisfied, woman?” and when she said yes, Charles answered: “I’m not yet.” He had the commander brought to the same prison where his innocent host had been beheaded. There the commander was met by a priest, an executioner and a coffin, and also to a letter from the duke that ordered his beheading. Two hours later he was beheaded by the executioner. A copy of the death warrant was given to the wife as a testimony of the revenge the duke had taken regarding her misfortune and the behaviour of the commander. In this way she became a widow for the second time and she suffered so much grief that death dragged her away not long after; and left many possessions of the commander to the children she had in her first marriage.

The (not so happy) end.